Gedragscode mentorschap

Voorwoord
Onder een mentor verstaan we hier de door de kantonrechter benoemde mentor ten behoeve van personen met een beperking. Voorts ook voor diegene die tot curator is benoemd ten behoeve van een persoon die onder curatele is gesteld. De wet op de ondercuratelestelling verwijst naar BW 1: 453 en 454 en verklaard deze artikelen van overeenkomstige toepassing. Waar we verder spreken van mentor wordt ook curator bedoeld.

De functies van de gedragscode zijn:

▪  Voor de mentor: richtlijnen voor handelen en (morele) plichten.
▪  Voor de betrokkene: duidelijkheid scheppen van de verwachtingen die men aan de mentor kan stellen. Men kan spreken van ‘rechten van de betrokkene’. De gedragscode biedt bescherming en garantie op goede en degelijke dienstverlening.
▪  Voor de samenleving: de gedragscode biedt een houvast voor kwaliteit van dienstverlening en betrouwbaarheid.

De regels zijn gegroepeerd rond vier centrale waarden: respect, integriteit, verantwoordelijkheid en deskundigheid.

I. Respect

Informatieplicht

1   De mentor verstrekt vooraf aan betrokkene informatie over het mentorschap en de wijze van uitvoering.
2  Tijdens het mentorschap verstrekt de mentor aan betrokkene informatie over de uitvoering van het mentorschap. De mentor legt verantwoording af aan betrokkene.
3  Op verzoek verstrekt de mentor aan betrokkene inzage in het dossier.
4  De mentor stelt vast of zal laten vaststellen de mate van wilsbekwaamheid van betrokkene. Bij (gedeeltelijke) wilsonbekwaamheid van betrokkene kan de verstrekking van informatie worden beperkt of worden nagelaten. 

Geheimhoudingsplicht
De mentor moet de vertrouwelijkheid en geheimhouding waarborgen. Hij zal al het geen hem uit hoofde van zijn functie in vertrouwen ter kennis komt of waarvan hij het vertrouwelijke karakter dient te begrijpen niet aan derden verstrekken, tenzij de wet of het belang van betrokkene zulks vereist.

Belang en welzijn van betrokkene
▪  Bij de uitvoering van het mentorschap zal het belang en het welzijn van betrokkene voorop staan.
▪  Het inkomen en vermogen van betrokkene zal voor zover noodzakelijk worden aangewend ten bate van betrokkene om zijn of haar welzijn te garanderen of te bevorderen.

Respect voor de wensen en gevoelens van betrokkene
▪  Bij de uitvoering van het mentorschap zal rekening worden gehouden met de vroegere en actuele wensen van betrokkene. Deze zullen zo goed mogelijk worden vastgesteld en vastgelegd en er zal met respect mee worden omgegaan.

II. Integriteit

Eerlijkheid
▪  De mentor zal geen goederen van een betrokkene overnemen of ontvangen, in welke vorm of op welke wijze dan ook.
▪  De mentor zal geen schenking, erfenis, cadeaus of andere zaken van betrokkene aanvaarden.

Belangenverstrengeling
▪  De mentor laat zich leiden door het belang van betrokkene. Hij behoedt zich voor eigenbelang en belangenverstrengeling of iedere schijn van belangenverstrengeling. Functionele relatie.
▪   De mentor onderhoudt een strikt functionele relatie met betrokkene. Hij waakt daarover en onderhoudt in de privésfeer geen relaties met betrokkenen.

III. Verantwoordelijkheid
▪  De mentor houdt zich in alle omstandigheden aan de wet en de richtlijnen van de toezichthoudende rechtbank.
▪  De mentor voert zijn functie uit zoals dat een goede mentor betaamt.
▪  De Mentor draagt zorg voor goede kwaliteit en continuïteit van zorg en dienstverlening.
▪  De mentor onthoudt zich van gedragingen, waarvan hij weet of kan voorzien, dat die het vertrouwen in het mentorschap kan schaden.
▪  In zijn taakuitoefening is de mentor zorgvuldig jegens betrokkene en andere betrokkenen.

IV. Deskundigheid
▪  De mentor is zich bewust van de ethische aspecten van zijn handelen en handelt volgens deze gedragscode.
▪  De mentor houdt zijn professionele deskundigheid in stand. Hij volgt van belang zijnde vakliteratuur en neemt deel aan na- en bijscholing.

Gedragscode mentorschap